Communicatie voor expo ‘Bij Ons Thuis’

Voor de twee prijswinnende fotografen Karine Versluis en Karijn Kakebeeke schreef ik (pr)teksten over hun fotografieproject ‘Bij Ons Thuis‘, over hoe het is voor (Haagse) oudere migranten om oud te worden in een land waar je niet geboren bent. We kregen veelvuldig media-aandacht in lokale media voor het project, zoals deze reportage op Den Haag FM. De gelijknamige tentoonstelling in Het Nutshuis in Den Haag is nog te zien tot 12 april 2018.

persfoto Bij Ons Thuis
Archiefbeelden van Mustafa (1950) uit Turkije. De foto’s en verhalen van deze en andere oudere migranten en hun (klein)kinderen zijn te zien tijdens de expositie Bij Ons Thuis. Copyright: Bij Ons Thuis/Picture Bridge Foundation

Over het project

Hoe word je waardig oud in Nederland? En hoe doe je dat als je zelf uit een andere cultuur komt?

De beelden en quotes in de tentoonstelling Bij Ons Thuis tonen de wensen en zienswijzen van een groeiende groep in Nederland: ouderen die hier niet geboren zijn en de (klein)kinderen die al dan niet voor hen gaan zorgen. In 2009 waren er volgens het CBS zeventigduizend oudere migranten in Nederland; de verwachting is dat dit aantal zal stijgen naar ruim 520 duizend in het jaar 2050. Het merendeel daarvan is eerste generatie migranten, en dus ook de eerste generatie die in contact komt met ouderenzorg buiten de familiekring.

Om meer te weten te komen over deze groep, interviewden fotografen Karine Versluis en Karijn Kakebeeke Haagse migrantenouderen, aan de hand van foto’s van vroeger. Een groep (klein)kinderen van migranten ging zelf op pad met een camera om hun kijk op het leven in meerdere culturen en de zorg voor hun (groot)ouders vast te leggen. Professionals uit de zorg reageerden op hun beurt op de verhalen die naar voren kwamen.

De makers nodigen het publiek uit om zelf mee te denken over het thema. Iedereen wordt immers oud en heeft familie over wie je vroeg of laat moet meebeslissen: word ik mantelzorger, gaan mijn ouders naar een tehuis of zoeken we een andere manier?

Onderdeel van de tentoonstelling is de audio-installatie Een luisterend oor die documentairemaker Sanne Rovers en radiomaker Laura Stek maakten rond de indringende gesprekken van de ‘Zilverlijn’, een telefoondienst voor eenzame ouderen.

www.nutshuis.nl

Reisverhaal: de wereld aan je voeten

Tirol Reportage

Het lopen van de Adelaarsweg – een langeafstandswandelroute over de Oostenrijkse bergen van Oost- naar West-Tirol – is niet alleen een fysieke inspanning. Het is een mentale reis met pieken en dalen. Het is het betreden van een andere wereld. Hier, ver boven de onrust van de stad, bepalen het weer en je voeten het ritme, eet je wat de pot schaft, maalt niemand om een douche meer of minder en spreekt iedereen elkaar aan met ‘je’. “We zijn nu eenmaal op elkaar aangewezen hierboven. Jij en ik.”  

Publicatie december 2017 – Columbus Magazine
Tekst Jona Dekker Fotografie Lars van der Waarden

“Oh mijn god, ga ik dit wel trekken?” De vraag schiet als een vuurpijl door mijn hoofd. Het is dag drie van onze tocht en na een klim van een anderhalf uur in de regen – over stenen paadjes en met een stukje klauteren op handen en voeten naast een afgrond – staan we boven op een pas. Mijn handen zijn bijna gevoelloos van de kou, en we zien vrijwel niets. Voor me ontwaar ik in soft focus een heel klein stukje gras, dat zonder mededogen loeisteil naar beneden in de mist verdwijnt. Mijn ogen zoeken tevergeefs naar een pad. “We moeten achter die rots langs”, sust onze gids, maar eenmaal langs het brok steen, valt het niet mee. Een modderig paadje van nauwelijks twee voeten breed, slingert via talloze haarspeldjes over een natgeregende, spekgladde grashelling de diepte in. We schuifelen omlaag, waarbij ik erg mijn best moet doen om strak naar het pad staren. Want naar beneden kijken roept allerlei vragen op: hoe hard je hier kunt glijden, en hoeveel je versnelt voordat je beneden op de stenen tot stilstand komt. “Je valt niet”, verzekert de gids, “maar je moet wel meer naar voren leunen, met je gewicht boven je voeten. Dan sta je beter.” Zelfs fotograaf Lars – die zich de afgelopen dagen heeft bewezen als een volslagen relaxte, ongetrainde dertiger op gympies die totáál geen last heeft van hoogtevrees, spierpijn of blaren – gaat tergend langzaam. Maar de gids krijgt natuurlijk gelijk. We vallen niet. En dus komen we anderhalf uur, drie sneeuwhoopjes, een steil stenenveld en twee alpenmarmotten later, voldaan en opgelucht aan in de spectaculair gelegen Anhalter Hütte.

IMG-20170909-WA0019

Het avontuur begint

Een half jaar eerder. Peinzend vraag ik me af hoe ik me hierop voorbereid. Ik heb ‘ja’ gezegd. Ik ga een stuk van de Adelaarsweg lopen, dé langeafstandswandelroute die heel Tirol doorkruist, met in totaal 33 etappes, 413 kilometer en 31.000 hoogtemeters. De eerste vraag is: welk stuk lopen we? Gaan we voor een paar stevige, ‘alpiene, zwarte etappes’, kiezen we voor ‘rode bergwandelpaden voor gevorderden’, of is een ‘blauw wandelpad’ geschikter? De fotograaf en ik hebben beiden weleens door de bergen gelopen, maar betekent dat dat we ‘tredzeker’ zijn – en dus gevorderd? Hebben we een ‘alpiene uitrusting’? Volstaan goede schoenen of moeten we stijgijzers meenemen? Na lang wikken en wegen kiezen we voor etappe 16 tot en met 20: eerst een blauwe, gevolgd door drie rode en een zwarte. Zo kunnen we het niveau langzaam opschroeven.

Als we zes maanden later uitgeslapen onze eerste stappen zetten op de Adelaarsweg, hebben we nog steeds geen idee, maar wel goede moed. De zon staat stralend in een blauwe hemel met lieve schapenwolkjes en voor ons loopt een breed pad door Gaistal, dat alleen in de zomer bereikbaar is, omdat er ’s winters te veel sneeuw ligt. Achter ons ligt Leutasch, waar de hotelbaas van onze eerste overnachtingsplek – met de toepasselijke naam Christian Wandl – ons vertelde dat veel bergpaden zijn aangelegd om de koeien in de zomer naar de hogere alpenweides te brengen. “Eén herder past op het vee van meerdere boeren.” Het goede nieuws voor wandelaars is dat je bij zo’n zomerboerderij – oftewel een ‘alm’ – vaak óók een stevige hap kunt eten. “Je kunt meer verdienen aan toerisme dan aan een koe”, verklaart Wandl. Zelf serveert hij in zijn biologische hotel Leutascherhof zoveel mogelijk producten van lokale boeren, naar goed Tirools gebruik. “De meeste mensen hier komen uit een boerenfamilie. Iedereen ziet het belang van boeren. Hun koeien houden de begroeiing laag: zonder vee zouden er geen alpenweides meer bestaan.” Ik denk aan die woorden terwijl we de ene alpenweide na de andere doorkruisen, het ritme van onze voetstappen begeleid door een concert van tinkelende koeienbellen en het zacht ruisen van een beek. Flink moe maar nog steeds optimistisch sjokken we die avond ons eerste eindstation binnen: het dorpje Ehrwald.

Tirol Reportage2.jpg

Respect

De volgende dag treffen we onze eerste mede-Adelaarsweg-lopers: twee Duitse vrienden van een jaar of vijftig die samen zeven etappes lopen, van Innsbruck naar hetzelfde eindstation als wij: Württemberger Haus. Eén stopt voor een vriendelijk praatje, terwijl de ander nogal bot de pas erin zet en om de hoek verdwijnt. Veel sneller dan wij. We puffen bergop lopend tegen elkaar dat dit wel een pittige dag zal worden. Maar net als gisteren verdwijnt het zware gevoel in onze benen vanzelf en krijgen we de smaak te pakken. Met geheven hoofd stappen we verder omhoog, waarna onze route zich vervolgt over een smalle, steil dalende ‘singletrack’. Durven hier mensen te mountainbiken? Wij moeten onze voeten stevig neerplanten om niet uit te glijden over de kleine steentjes. Toch gaat het zo gesmeerd dat we op een gegeven moment uitgelaten naar het dal staan te jodelen. Waarna meteen het eerste lastige stukje volgt: een kort, smal richeltje naast een afgrondje. Ik sta even te trillen op mijn benen. Hoe spannend gaat deze tocht eigenlijk worden? Inspannend is het sowieso. Als we in Hotel Fernsteinsee aankomen, beweert onze botte, Duitse collega-loper dat het vandaag allemaal niets voorstelde, maar wij vallen na één biertje al half in slaap.

Eén van de bijzondere dingen aan het lopen van een langeafstandsroute, is de ontdekking dat je het kunt. Dat je benen je daadwerkelijk over al die hoogtemeters en kilometers kunnen dragen. Het doet soms pijn, met blaren of stijve benen, maar je spieren worden met de dag sterker. Ik merk bovendien iets aan de locals die we onderweg tegen komen: respect. “Je hoeft geen u te zeggen, hoor. Boven de 1000 meter zeggen we je tegen elkaar”, benadrukt een oudere winkeldame. “Dat komt omdat het leven in de bergen harder is. We zijn nu eenmaal op elkaar aangewezen hier. Jij en ik.”

Tirol Reportage5.jpg

Alleen nog maar geluk

Ook wij voelen respect, voor de berggids die ons vanaf dag drie zal vergezellen: Martin Gstrein (30). We lopen met hem verder naar de Anhalter Hütte, en al snel blijkt dat onze ervaring totaal in het niet valt bij die van deze tanige bonk spieren, die over het bergpad rent als een steenbok. Martin heeft een eigen bedrijf, ‘High Mountainworks’, dat zo ongeveer alles in de bergen kan begeleiden. Samen met zijn vrouw en freelance berggidsen neemt hij mensen mee op wandel-, klettersteig- en klimtours, maar je kunt hem ook inhuren om te gaan tourskiën, ijsklimmen, canyoningen, om toppen te beklimmen of er juist weer af te paragliden. Ook bouwt hij als ‘industrieklimmer’ bruggen in nagenoeg onbereikbare kloven, hangend in de wand aan gordels in de meest onmogelijke posities, en heeft hij laatst nog een klettersteig boven een spectaculaire fjord in Noorwegen gefabriceerd. En oh ja, als vrijwilliger werkt hij bij de bergreddingsdienst. “De bergen zijn mijn leven. Mijn vrouw en ik gaan nooit op vakantie. Ook als we vrij zijn, gaan we omhoog. De bergen betekenen vrijheid. Als je op een top staat, ligt de wereld aan je voeten.”

Met een verliefde blik laat hij een foto zien van zijn vrouw, met een enorme hoogzwangere buik, op de top van een hoge spits. “Drie weken geleden ben ik vader geworden. Dit was de dag voor de bevalling. We dachten dat de baby nog wel even zou blijven zitten…” Of hij niet angstiger geworden is, als kersverse vader en echtgenoot? “Nee. Dat zou niet goed zijn voor mezelf, en ook niet voor de mensen die ik gids.” Als ik vertel dat ik twee goede kennissen heb die 200 meter naar beneden zijn gevallen, dat slechts één van hen het overleefde, en dat ik daardoor banger ben geworden, komt de aap uit de mouw. “Ik ben ook een keer 200 meter naar beneden gestort”, zegt Martin. “Ik stapte op een stuk sneeuw, maar gleed uit op het ijs eronder. Zo’n eind vallen is een hele gekke ervaring. Na vijf meter heb je zo’n snelheid dat je niets meer kunt doen. Ik kon alleen maar denken: nu heb ik geluk nodig.” Na een heel eind glijden over loeisteile sneeuw, kwam hij op de rotsblokken eronder tot stilstand. “Een puntige steen sneed mijn bil open, tot de spieren aan toe.” Wonder boven wonder had hij niets gebroken. “Toen ik na vier weken weer aan het werk ging was het wel even gek. Maar banger ben ik niet. Wel voorzichtiger.”

Als we even later op de pas staan in de mist, waar we over de glibberige grashelling naar beneden moeten, prijs ik me gelukkig dat we Martin bij ons hebben. Later in de Anhalter Hütte blijkt dat we niet de enigen zijn die moeite hadden met het weer in combinatie met de route. De botte Duitser die we al twee keer eerder tegenkwamen, lijkt wel gesmolten. “Vandaag ben ik mezelf echt tegengekomen op dat steile stuk”, verzucht hij. “Mijn grens is bereikt.” Hij kijkt mij aan. “Ik ben blij dat ik niet de enige ben.” In totaal zitten we met acht Adelaarsweglopers in de gelagkamer. Drie van hen vonden het eng vandaag, de rest ‘spannend, maar te doen’. Bijna iedereen, inclusief onszelf, besluit om de laatste zwarte etappe naar Württemberger Haus in te korten of te skippen.

Tirol Reportage6.jpg

Als een adelaar

‘s Nachts houden kwelgeesten me uit mijn slaap. Keer op keer speelt zich hetzelfde filmpje af in mijn hoofd, met alle mogelijke gedaantes van het pad dat ons morgen naar de volgende hut leidt. Ik probeer de beelden te wissen, aan niets te denken, alleen te ‘zijn’, maar ze keren als pestkoppen steeds weer terug voor mijn geestesoog.

Daarna denk ik aan Carmen Kathrein, de 59-jarige huttenwaardin die me vanmiddag haar levensverhaal vertelde. Ruim dertig jaar geleden ontmoette ze de liefde van haar leven, een Oostenrijkse berggids. Toen ze een zoon kregen besloten ze de Anhalter Hütte te gaan pachten, om meer bij elkaar te kunnen zijn. Maar tragisch genoeg kreeg Carmen’s man negen jaar later een fataal ongeval. “Hij gaf nog één tour in Ecuador voor het seizoen hier weer begon. Hij werd begraven onder een lawine en is nooit meer teruggekomen.” Sinds die tijd runde ze ’s zomers de hut als alleenstaande moeder. Een leven dat onvergelijkbaar is met dat in het dal. De Anhalter Hütte is alleen te voet bereikbaar. Eén keer per seizoen brengt een helikopter de voorraad, maar alle verswaren worden omhoog gedragen, en het afval naar beneden. “Mijn zoon moest toen hij twee was al zelf lopen. Wij hadden immers altijd een grote rugzak bij ons”, aldus Carmen. Water wordt gezuiverd uit een bron. Douchen kan alleen koud. En Carmen werkt de hele zomer lang elke dag, van zes uur ’s ochtends tot tien uur ’s avonds. “Dit is eenvoudig leven, maar ik voel me hier goed. De bergen en de dood van mijn man hebben me heel filosofisch gemaakt. Beneden in de stad is het altijd onrustig. Je bent afgeleid. Maar hier, in de rust, in de stilte, moet je met jezelf in het reine komen. Je moet al je zintuigen op scherp zetten. Net als de dieren. Onlangs, voor er sneeuw viel, kwamen alle gemzen naar beneden van de bergtoppen. Dan weet je: er komt iets. Volgend jaar is mijn laatste seizoen als huttenwaardin. De hut wordt verbouwd en daarna heb ik niet meer de leeftijd om opnieuw te beginnen. Maar daar wil ik nog niet aan denken. Dat valt me heel zwaar.” Ik probeer me Carmen voor te stellen, sjouwend met haar spullen over het bergpad naar het dal, met een kind van twee en haar man. En later: alleen. De route die ik morgen ook zal lopen. Pas om twee uur val ik in een onrustige slaap.

We vertrekken de volgende ochtend al om acht uur uit de hut. Laaghangende wolken ontnemen het zicht op het pad waar ik gisteren zo vaak naar heb gekeken vanuit de gelagkamer. Als we onderweg zijn merk ik meteen op dat het minder smal is dan het van een afstandje leek. Om de hoek zien we de route langs een niet al te steile helling richting de Steinjöchl-pas gaan: een metershoge, grillige steenrichel. Ik heb in de routebeschrijving gelezen dat we een stuk moeten klauteren langs een staalkabel, en de spanning balt zich samen in mijn buik. Maar eenmaal bij het gesteente aangekomen, blijkt de staalkabel een hek te zijn, en het klauteren traplopen. Ik lach hardop. Waar de route gisteren onverwachts spannend was, valt hij tot nu toe alleen maar mee. Als aan de andere kant van de pas het pad gedwee naar beneden slingert en de zon doorbreekt, met een fantastisch uitzicht op de wolken die loom aanleunen tegen de enorme, grijze, rotsen voor ons, dan voel ik me voor het eerst als een adelaar: alsof ik vlieg.

Tirol Reportage7

Reddingsoperatie

Als hij mijn blije gezicht ziet, lacht onze gids. “Dat vind ik bijzonder aan de bergen. Een route kan de ene dag – met mooi weer – heel makkelijk zijn. Maar als het de volgende dag regent kan je ervaring van hetzelfde pad 180 graden draaien. Het is pure psychologie.” Hij beaamt dat slecht weer ook wel écht link kan zijn en wijst achter zich. “Dat moeilijke pad dat ik net liet zien? Daar heb ik met de bergrettung vier weken geleden een uitdagende operatie verricht. We zijn met tien man vijf uur in het donker onderweg geweest, in de stromende regen, om een man en een vrouw uit Wenen naar beneden te halen. Ze hadden geprobeerd om de zelfvoorzienende hut te bereiken, maar het niet gered. Ze zaten vast op een natte, spekgladde helling, in het donker. We hebben ze een gordel gegeven en ze lopend naar beneden gezekerd aan een touw. Gelukkig waren ze niet gewond, maar wel totaal uitgeput.”

Als berggids kijkt hij nergens meer van op. “Je hebt mensen die boven op een bergrichel gaan zitten, en niet meer verder willen. Dan heb je als gids eigenlijk al een fout gemaakt: je moet vóór een bergbeklimming inschatten of iemand het fysiek en mentaal wel aankan.”

De anekdote maakt me iets zelfverzekerder. Ondanks mijn sporadische hoogtevrees ben ik tot nu toe overal op eigen kracht gekomen. Het weer werkt bovendien mee, en na een lange wandeling door een dal en langs een steil slingerpaadje omhoog, bereiken we op dag vier – dag vier alweer! – bijzonder opgewekt de Hanauer Hütte. Het is onze tweede echte berghut op deze route en het begint al een beetje vertrouwd te voelen: de schnaps die steevast als ‘medicijn’ klaarstaat als je aankomt, de bijzonder stevige maaltijden – käsespatzle met rauwkost vandaag –, de mannen en vrouwen in lichtgewicht broeken, felgekleurde fleecetruien, op Vibram-zolen en in Goretex-jassen, het feit dat mijn douche niet echt warm is, het ontbreken van Wifi of zelfs maar mobiel bereik. Alleen onze slaapplek zorgt nog even voor een bezorgde blik bij de fotograaf: twee grote planken boven elkaar, beide gevuld met één supergroot matras, waar we zij aan zij slapen met twee vaders en vier jonge kinderen. Maar eerlijk is eerlijk: ik heb nog nooit zúlke brave kinderen gezien, want na twee gefluisterde woorden horen we de hele nacht niets. ’s Ochtends is het eerste dat ik zie als ik wakker word het blije hoofd van fotograaf Lars. “Ik heb nog geen enkele nacht zo goed geslapen als nu.”

Tv kijken

Dag vijf – onze laatste dag op de Adelaarsroute – worden we buiten opgewacht door een stralend blauwe hemel. Het lijkt wel of iemand daarboven ons wil belonen voor de inspanningen tot nu toe. De weg is steil, maar we weten inmiddels dat we wel boven zullen komen. Een staalkabel leidt ons over een hoge, grillige rotsgraat – een pas die ik een week geleden misschien nog eng had gevonden – maar die nu léuk spannend is. Van puur optimisme neem ik aan de andere kant een duik in het ijskoude bergmeer: de Steinsee. Met een tintelend lichaam geniet ik na in de zon. We geven elkaar een high five. Wir haben es geschaft. Het enige dat we vandaag nog hoeven te doen is een lome middag doorbrengen bij de Steinsee Hütte. En morgen vier uur afdalen naar het dal, maar dat lijkt nu een eitje. Als we even later met een biertje van het uitzicht genieten, komt huttenwaard Burkhard Reich (52) bij ons staan. “Mooi hé? Toen mijn dochter klein was zei ze dat ze tv ging kijken. Dan klom ze een stukje omhoog langs die helling daar, ging zitten en keek om zich heen.”

Als we de volgende ochtend vroeg opstaan om de zon te zien opkomen, neemt een groep gemzen afscheid van ons. Bij de Steinseehütte eert een gedenkplaat een 20-jarige bergbeklimmer, die hier in 2002 omkwam. “Als bergbeklimmers sterven, doen ze louter dat, wat ze al deden. Ze stijgen alleen nog maar verder omhoog.” De woorden staan in steen gebeiteld. In gedachten verzonken zetten we onze laatste afdaling in, de toppen in stilte achterlatend, roerloos en ongenaakbaar.

 

20170906_121553

 

TOCHTENPLANNING

Over de schoenen van fotograaf Lars… en andere tips

  1. Schoenen Het eerste waar iedere local in Tirol over begon: de gympies van fotograaf Lars. Hoewel hij alles zonder blaren en met verve gelopen heeft, is het advies: draag stevige, niet te kleine, ingelopen (berg)schoenen tot over de enkel, met goede profielzolen, die sterk genoeg zijn om dagenlang over puntige rotsen te lopen.
  2. Ben ik geschikt? Conditie op peil? Check. Geen (of weinig) hoogtevrees? Check. Ervaring met bergpaadjes? Top! Klaar voor een uitdaging? Ok, je bent (waarschijnlijk) geschikt! Gewoon proberen, zouden wij zeggen…
  3. Start vroeg Beter rond lunchtijd op je bestemming aankomen, dan vast komen te zitten op een pas in een onweersbui of een keer fout lopen en daardoor verdwalen in het donker.
  4. Het weer Over onweer gesproken: het beste advies is om er niet in terecht te komen. In de zomer slaat het weer vaak ’s middags om. Informeer elke ochtend naar de actuele weercondities. Ga er niet vanuit ‘dat het wel meevalt’: regen, harde wind, sneeuw en onweer kunnen een lange route veel uitdagender, gevaarlijker of zelfs onmogelijk maken.
  5. Koop een wandelkaart Download niet alléén alle routebeschrijvingen, kaartjes en GPS-tracks van de website visittirol.nl, maar ga óók altijd op pad met een gedetailleerde wandelkaart (1:25.000), bij voorkeur die van de Duitse of Oostenrijkse Alpenvereniging (DAV / ÖAV). Langs de route staat namelijk niet de ‘Adelaarsweg’ op de wegwijzers, maar in plaats daarvan de namen van hutten en plaatsen langs de route. Je moet dus zelf navigeren. Te koop via reisboekhandel http://www.piedaterre.nl.
  6. Word officieel berggeit Als lid van de Nederlandse Klim en Bergsport Vereniging (NKVB, €52 per jaar), krijg tot 50% korting op overnachten in berghutten. Neem je er ook een bergsport-reisverzekering bij (€30,75 extra per jaar), dan valt ook de bergreddingsdienst onder de dekking. Zonder verzekering kost een bergredding €4.000 tot €10.000. Onwaarschijnlijk? Ehm.. Deze verslaggever is eens op een zeer vriendelijk ogende Mallorcaanse berg verdwaald – en ‘gered’ – en was toen erg blij met haar NKVB-pas…
  7. Neem een gids De Adelaarsweg op eigen houtje lopen is het meest avontuurlijk, maar (een paar dagen) met een gids lopen schept nieuwe mogelijkheden: je kunt moeilijkere stukken ‘doen’, hebt iemand bij je die de weg kent en kan daardoor nog meer genieten van de tocht. Onze gids Martin Gstrein of zijn collega’s inhuren kost zo’n €320 per dag (richtprijs, meer dagen is goedkoper). Je kunt een gids bovendien vragen om je te leren klettersteigen of klimmen bij één van de berghutten, www.high-mountainworks.at. Kom je er niet uit met het plannen van je tocht? Martin Gstrein geeft ook vrijblijvend advies, info@high-mountainworks.at, +43 650 9209315.

 

PAKLIJST

Ik ga bergwandelen en neem mee…

  • Eén rugzak met heupband waar alles in past
  • Wandelkaart en routeprintjes
  • Opgeladen mobiele telefoon
  • Contant geld
  • NKVB-kaart
  • Energievoer en drinkfles (minimaal 1 liter)
  • Zakmes
  • Hoofdlamp
  • Lakenzak voor in de berghut
  • Zonnebrand, -bril en –pet
  • Toiletspul, mini-handdoek
  • Blarenpleisters
  • Eerste hulpset incl. reddingsdeken
  • Ondergoed, wandelsokken, functioneel shirt, sneldrogende broek, fleecetrui
  • Handschoenen en muts (ook ’s zomers)
  • Warme (onder)jas
  • Regenjas en –broek
  • -Wandelstokken (voor balans en tegen knieblessures bij het afdalen)

 

Hoofdredacteur en vliegende reporter De Buurtcamping

Campingkrant De Pleerol: ooit van gehoord? Dat is die superleuke krant bomvol mooie, grappige, ontroerende verhalen van buren die elkaar leren kennen op De Buurtcamping. Dit jaar kampeerden buren in 5 steden een weekend lang met elkaar in hun eigen 11 parken. Samen met Maaike Poppegaai en Roos Horrevorts maakte ik de campingkrant. We waren hoofdredacteur en verslaggever in één. Ook stuurden we vrijwillige schrijvers en fotografen aan. En ik deed de eindredactie.

_DSC5691

Tentoonstelling over geliefd en verguisd Hoog Catharijne

Hoog Catharijne door de jaren heen

1960-2019

Weet je nog? Ooit was Hoog Catharijne een spiksplinternieuw fenomeen dat zowel bewondering als luid protest opriep… Het is moeilijk voor te stellen hoe de wereld eruit zag toen Hoog Catharijne verrees. Een megaproject dat zijn weerga niet kende. Door aanpassingen aan het interieur en buitenkant, ging het oorspronkelijke karakter van het gebouw steeds meer verloren. Hoog Catharijne krijgt daarom haar meest grondige opknapbeurt sinds de bouw.


unnamed-8
Foto op de uitnodiging: Cas Oorthuys / Nederlands Fotomuseum

Uitgangspunt: de blik van betrokkenen en gebruikers

Voor een lange bouwwand in het winkelcentrum, maakte ik een tentoonstelling over de totstandkoming van Hoog Catharijne, het gebruik door de jaren heen en het toekomstige winkelcentrum. Bij het bedenken van een ‘verhaallijn’ en het zoeken naar historisch beeld, lag mijn focus op de uiteenlopende ervaringen en de wisselende blik van betrokkenen en gebruikers. Wat bezielde de architecten? Waarom wilde de gemeente Utrecht de oude Stationswijk slopen voor de bouw van dit megacomplex? Wie kwamen in opstand en waarom? Wie kwamen vervolgens reikhalzend kijken in het toen gloednieuwe fenomeen? En waarom heeft bijna iedereen het gevoel er te verdwalen?

Beeldmateriaal

Het grootste deel van de tentoonstelling bestaat uit historische beelden en een promotiefilm uit 1970, afkomstig van Het Utrechts Archief. Daarnaast hangen er foto’s van de huidige verbouwing en artist impressions van het toekomstige Hoog Catharijne.  Korte teksten en prikkelende quotes vertellen het verhaal achter de foto’s.

Opening

De tentoonstelling opent op donderdag 29 januari en blijft naar verwachting een half jaar hangen. Daarna verhuist de tentoonstelling naar een andere plek.

Locatie

De tentoonstelling bevindt zich in het Gildenkwartier, ter hoogte van Van Haren (nabij de ingang van de Radbouw parkeergarage P3).

Uitbreiding tentoonstelling

Later dit jaar verhuist de tentoonstelling naar een andere bouwwand in Hoog Catharijne en wordt ze aangevuld met een aantal portretten van betrokkenen en vaste gebruikers in het winkelcentrum, zoals een ondernemer van het eerste uur, een bewoner die er al jaren woont, een kantoormedewerker en (mogelijk) een architect.

Partners in crime

Bij het maken van de tentoonstelling was mijn stagiair Lies Slot een super goede partner in crime. De vormgeving is van de hand van twee ontwerpers die net als ik een werkboot huren op De Ceuvel: Wendy Rommers en Cristel Lit van Lots Of/. Vertaler Maaike Vondenhoff maakte een sublieme ondertiteling bij de promofilm uit 1970, waardoor de geluidloze filmvertoning toch nog een beetje klinkt als de oorspronkelijke polygoonstem.

Ik maakte de tentoonstelling in opdracht van de eigenaar van Hoog Catharijne: Corio B.V.

 

 

 

 

 

 

 

Dubbelinterview Tommy Wieringa & Jelle Brandt Corstius

‘Reizen is gewichtloosheid’

Boekenweekauteurs Tommy Wieringa en Jelle Brandt Corstius over de kunst van het reizen

Hoe verschillend ze ook schrijven – bloemrijke romans versus nuchtere, humorvolle non-fictie – over hun liefde voor reizen spreken ze als één man: Boekenweekauteurs Tommy Wieringa (46) en Jelle Brandt Corstius (35). “Reizen is hopen dat de dag níet zo gaat als je in je hoofd had.” Wieringa: “Precíes! Kunnen we dat opnemen in het stuk als kernzin?”

Publicatie in het Boekenweek Magazine, februari 2014

Als de twee lange, kale schrijvers elkaar voor het eerst zouden ontmoeten in een buitenlandse, zespersoons treincoupé met een lange reis voor de boeg, zou er bar weinig gebeuren. Daar zijn Wieringa en Brandt Corstius het roerend over eens. “Ik zou doen wat alle Nederlanders dan doen”, lacht Wieringa. “Wegduiken alsof de ander niet bestaat. Het fijne van reizen is nu juist dat er geen getuigen zijn.” Brandt Corstius: “Vroeger kon ik in zo’n situatie nog wel eens een hele nieuwe persoon verzinnen. Dan praatte ik twee uur over mijn werk als fysiotherapeut. Dat was een leuke mentale oefening. Maar sinds ik tv-programma’s maak val ik denk ik toch iets sneller door de mand.”

Tommy Wieringa en Jelle Brandt Corstius hebben niet alleen hun schrijflust gemeen. Beiden maakten ze televisie voor de VPRO: Wieringa reisde langs de Nederlandse grens, Brandt Corstius door Rusland en India. En allebei voelen ze hun leven lang al een verlangen naar elders. Wieringa: “Tot mijn zevenendertigste was ik zo ongeveer ononderbroken onderweg. Toen liep alles in het honderd en kreeg ik kinderen.” Hij schaterlacht. “Al zie ik nu mijn meisjes twee en drie zijn wel weer wat meer ruimte om eens de boer op te gaan.” Wieringa’s reizende leven begon hier, bij het Lloyd Hotel aan het Amsterdamse IJ, de locatie van het interview. “Toen ik twee was zijn we hier vertrokken met het schip de Prins der Nederlanden, mijn ouders met een hart vol verwachting, op weg naar een nieuw bestaan in Aruba.”

Jelle Brandt Corstius ging als kind met zijn ouders al op ‘bijzondere vakanties’. Tommy Wieringa woonde zeven jaar met zijn ouders op de Antillen, waar zijn vader werkte als onderwijzer. “Ik groeide op onder een gigantische open hemel. Staalblauw. Vorige week stond ik bij Den Oever naar het grauwe, aanspoelende sop te kijken en ik prees mezelf gelukkig dat er andere invloeden in mij zijn gestroomd dan alleen deze hemel en dit water. Ik herinner me heel goed hoe het was toen ik terugkwam in Nederland en… die zee zag. Ik dacht, Jezus, dat is geen zee! Dat is waswater. Het afvalwater van een gaarkeuken.” Brandt Corstius schatert. Wieringa: “Of hoge, bakstenen straten. Beklemmend. Als baksteen nat regent, is ze nog donkerder, dan wordt ze bijna zwart. Ik snap niet dat mensen hun huizen niet pleisteren hier.”

Jelle Brandt Corstius: “Ik heb dat beklemmende gevoel niet bij baksteen, maar wel met Nederland op zich. Dat elke vierkante meter in Nederland een bestemmingsplan heeft. Zelfs de natuur. ” ‘Ik verlang nooit naar huis, erger nog: als ik thuis ben verlang ik naar weg zijn’, schrijft de journalist en programmamaker in zijn Boekenweekessay over een cruisetocht door de Witte Zee, via de Noordkaap naar de Noord-Russische stad Archangelsk. Hij vertrok op zijn vijfentwintigste naar Moskou en werkte er vijf jaar als correspondent voor kranten en tijdschriften. “Daar kwam ik erachter dat het echt bijzonder is dat in Nederland je dag meestal zo ongeveer volgens plan verloopt.”

De kunst van reizen is volgens de auteurs juist het tegenovergestelde van een plan hebben en je daaraan houden. “Je moet de vrijheid nemen om te hopen dat je dag níet zo zal gaan als je in je hoofd had”, vindt Brandt Corstius. Wieringa, lachend: “Precíes! Kunnen we dat opnemen in het stuk als kernzin?” Serieuzer: “Voor mij begint reizen met alleen zijn, en dat kan ik ook in Barger-Compascuum. Een gedeelde ervaring is een halve ervaring.” Brandt Corstius: “Vind je? Oh, dat heb ik helemaal niet.” Wieringa: “Als ik alleen onderweg ben, slaat er een raar soort vereenzaming toe, waardoor alles zich verdiept. Ik ga beter kijken. Met zijn tweeën kom je in een dynamiek waarbij je voortdurend naar elkaar kijkt.” “Je hebt niet de rust voor je eigen observaties?” “Precies.”

Brandt Corstius zucht. “Als ik reis voor het schrijven, is het inderdaad beter om alleen te zijn. Om die reden wil ik komend jaar even geen televisie maken. Die twee dingen gaan gewoonweg niet samen. ” De programmamaker kwam vóór dit interview linea recta uit het montagehok waar hij zijn nieuwe VPRO-serie ‘De bergen achter Sotsji’ monteert, tot in de nachtelijke uren. Voor de zes afleveringen die in januari en februari werden uitgezonden, trok hij non-stop filmend, 38 dagen lang door de Kaukasus met zijn cameraploeg. “Met reizen heeft zo’n trip eigenlijk niets te maken”, zegt Brandt Corstius. “Voor mij is reizen dat je tot nieuwe inzichten komt en nieuwe dingen meemaakt. Met zo’n serie, of het nou langs de Nederlandse grens is of dat ik in het hart van Georgië zit, het dondert eigenlijk niet zoveel. Je bent gewoon alleen maar bezig met televisie maken. Toen ik dit weekend over de Hondsbossche Zeewering tegen de wind in fietste, kwam er meer tekst in me op dan tijdens die hele maand in de Kaukasus. De kíjker van mijn programma’s, díe is op reis. Daarom vind ik het ook leuk om mijn eigen series terug te kijken. Dan denk ik: godverdorie, wat ik nou toch weer heb meegemaakt!”
Wieringa over zijn VPRO-serie De Grens: “Ontzettend leuk om te maken, maar ook een enorm gedoe. Je moet van de ene afspraak naar de andere. Proberen op tijd te zijn. Ik heb niet één aantekening gemaakt in de maanden dat ik aan het opnemen was. Terwijl ik normaal altijd aan het schrijven ben. Die hele ploeg mensen om je heen, al die spullen: dat is allemaal gewicht. Echt reizen is voor mij gewichtloosheid.”
Brandt Corstius: “De meest verlichte vorm van reizen is zonder spullen. Ik las een geweldig stuk over een jongen die op zijn eerste date met een meisje, had voorgesteld om drie weken te gaan liften door de Balkan en Turkije. Zonder iets mee te nemen: alleen de kleren die ze aan hadden, een creditcard, een telefoon. Ze stapten in de bus, wasten ‘s avonds hun kleren, en trokken ze de volgende dag weer aan. Dat kán dus gewoon.”

Op de vraag of een reiservaring waardevoller wordt door erover te schrijven, valt een lange stilte. Wieringa: “Ik heb een aantal reizen gemaakt voordat ik echt schreef. Ik ben heel lang in Ethiopië geweest toen ik 22 was, maar ik heb nauwelijks aantekeningen. Terwijl het zo bijzonder was, er gebeurden daar echt wonderen waardoor ik minstens een dag lang niet aan Zijn bestaan durfde te twijfelen. Maar ik heb geen namen, geen data, de plaatsen waar ik was kan ik nauwelijks terughalen. Daar baal ik enorm van.” Brandt Corstius: “Je hebt die ervaring natuurlijk wel zelf meegemaakt. Maar je kunt hem niet delen met lezers. Daar wordt de ervaring niet minder van, maar het is wel een gemiste kans.” Het is bovendien een fantastische nieuwe ervaring om over een reis te schrijven, vindt Wieringa. “Er zijn dingen die plotseling in een heel ander licht komen te staan als je ze opschrijft. Een verhaal waar ik nog steeds met plezier aan terugdenk, gaat over een portret van een dubbelganger van mij, dat ik zag in Slot Belvedere in Wenen. Het was een schilderij van Egon Schiele, en toen ik ervoor stond was het echt van: dit bén ik. Mensen om me heen wezen naar me en fluisterden. Toen ben ik gaan uitzoeken wie die man was. Het bleek Victor Ritter von Bauer, een ontzettend interessante kerel, een vrijdenker die de hele wereld had bereisd en één van de eersten die in Oostenrijk zijn vliegbrevet haalde.”

Brandt Corstius: “Alleen reizen doet iets met je creatieve gedachten. Als ik in Kazachstan in mijn eentje terug kom van een pizzeria waar het deeg op is, dan ben ik in de stemming om te schrijven.” De beste verhalen zijn die waarin dingen in mis gaan, vindt Corstius. “De lezer wil tegenslagen zien, want hij heeft de reis niet gemaakt. Dat is de fout van veel reisjournalistiek: iemand gaat naar Australië en schrijft hoe fantastisch mooi het er wel niet was. Ik vind een verhaal dat je überhaupt niet in Australië belandt, veel interessanter. Je moet de vrijheid nemen om je blik af te laten dwalen van wat in je programma staat.” Wieringa: “Zo zag ik tijdens opnames van een boer in Drenthe, de hele tijd vanuit mijn ooghoek kerels in Opel Manta’s zag wegschieten in het bos. Toen ik ging poolshoogte ging nemen kwamen we bij een illegale zender vlak over de grens, met stomdronken kerels. De biertap stond onder stroom en toen ik vroeg waarom zei iemand in dialect: “Hij is niet geaard!” Hahaha. Fantastisch. Dat had net zo goed in Oekraïne kunnen zijn.”
Brandt Corstius: “Precies: je hoeft niet ver weg te gaan om iets mee te maken. Mensen vinden het soms bijzonder dat ik ‘oog heb voor onverwachte details’. Ik vind het eerder gek als andere mensen dat niet hebben. Wat een saai leven moet dat zijn.”


 

Reisleiders in Boekenland

Wieringa en Brandt Corstius lezen zelf ook graag reisliteratuur. Vier tips van de kenners:

  • Holidays in Hell, P. J. O’Rourke – Brandt Corstius: “Hij ging op vakantie in gebieden die daar niet voor bedoeld waren, zoals Beiroet midden jaren ‘80. Heel erg grappig.”
  • Molvanië: een land gevrijwaard van moderne tandheelkunde, Tom Gleisner, Santo Cilauro en Rob Sitch – Wieringa: “Wat heb ik dáár om gelachen! Een reisgids naar een verzonnen land. Niemand heeft er een tand in zijn mond, en je wilt kajakken, maar de meren zijn helaas radioactief bevuild.”
  • Ingenieurs van de ziel, Frank Westerman – Brandt Corstius: “Dit boek was voor mij één van de redenen om naar Rusland te gaan. Historisch zonder dat het stoffig wordt.”
  • Zwarte Zee, Neil Asherson – Wieringa: “Fantastisch reisverhaal. Eén van de shockerendste dingen in het boek, is dat de Zwarte Zee dreigt om te keren door het gewicht van verschillende waterlagen. Een natuurramp zonder weerga.”

Nieuwe buren ruilen verhalen

Om de mensen uit twee sleutelwijken in Noord dichter tot elkaar te brengen organiseren de ‘nieuwe noorderlingen’ Jona Dekker (schrijfster) en Tryntsje Nauta (fotografe) een interactief ruilproject.‘ ‘Nieuwe buren’ is een uitwisseling van dierbare dingen, beelden en verhalen tussen bewoners van twee aangrenzende wijken in Amsterdam-Noord: de Van der Pekbuurt en Overhoeks.

De aanleiding

In de oude, multiculturele Van der Pekbuurt en in de aangrenzende, chique nieuwbouwwijk Overhoeks, wonen over niet al te lange tijd mensen met hele verschillende achtergronden. Het ‘echte Amsterdam-Noord-gevoel’ overheerst in de Van der Pekbuurt, terwijl de nieuwe woonwijk bij Overhoeks aan het IJ met haar flaneerboulevard en nieuwe filmmuseum zich lijkt te richten op de binnenstadbewoners. Toch kan Overhoeks de nieuwe toegangspoort naar het noorden worden, de lijm die twee kanten van het IJ, na eeuwen gevoelsmatig gescheiden te zijn, met elkaar verbindt.

Met Nieuwe Buren willen we een lofzang brengen aan een van de laatste volkswijken in de stad, aan het goede van het oude en het frisse van het nieuwe. Wij willen dat de oude bewoners de nieuwe bewoners leren kennen en andersom. Wij willen de unieke mengelmoes van Noord, van dit bijzondere moment in de geschiedenis van Amsterdam-Noord, namelijk het moment dat de stad het IJ definitief oversteekt, vangen in onze fotografie en verhalen.

DE NIEUWE BUREN
‘Nieuwe Buren’ is een breed begrip in de context van Amsterdam-Noord. De noorder IJ-oever is altijd een eindpunt van migratie binnen de stadsgrenzen geweest, met volkswijken waar arbeiders uit onder meer Oost en de Jordaan naartoe verhuisden en waar tegenwoordig ook veel buitenlandse migranten wonen. Nu wordt het stadsdeel steeds meer een stedelijke, populaire plek ‘in opkomst’. Starters kopen er hun eerste huis, kunstenaars huren tijdelijk afgekeurde woningen voor een prikkie. Ze strijken neer tussen wie er al tijden leefde, en daar wordt door de oude bewoners weer heel wisselend naar gekeken. De een vindt het geweldig dat de wijk steeds gemengder wordt, de ander heeft er moeite mee dat er minder contact is tussen bewoners onderling, door het grotere verloop en de steeds individueler wordende maatschappij. Dit project viert de verscheidenheid van mensen in Noord, maar wil óók juist het contact en wederzijds begrip tussen bewoners aanwakkeren.

HET RUILEN
Om ‘nieuwe buren’, oftewel bewoners uit de Van der Pekbuurt en Overhoeks op een intieme, bijzondere manier met elkaar kennis te laten maken, gaan Jona en Tryntsje op ‘ruilexpeditie’ door de wijk.

We beginnen met een dierbaar object uit ons eigen huis. Bij dit ‘ding’ hoort een vel met een portret van ons en een verhaaltje over ons en het object. Met dit aandenken bellen we aan bij een willekeurig iemand en vragen we of de bewoner ons voorwerp wil ruilen tegen een bijzonder voorwerp van hem of haar zelf. Wat dit is vult de bewoner zelf in. Het hoeft niet duur te zijn, het gaat om het verhaal dat de bewoner over zijn eigen ‘erfgoed’ te vertellen heeft.

Tryntsje Nauta fotografeert de eigenaar en het ding. Aan de hand van een interview schrijft Jona Dekker over het voorwerp en de relatie die de mensen tot het voorwerp hebben. Met het nieuwe voorwerp, waaraan wederom het bijbehorende portret en een kort verhaal over de oorspronkelijke eigenaar bevestigd zijn, gaan we weer verder naar andere buren – afwisselend in de Van der Pekbuurt en Overhoeks – en zo ruilen we steeds voor nieuwe bijzondere spullen. Het ruilen van objecten is tegelijkertijd een uitwisseling van verhalen en beelden, die van vrijdag 17 september tot en met 7 oktober dagelijks worden gepubliceerd op deze weblog.

DE EXPOSITIE
17 sept 2010 t/m 7 nov 2010 – Weblog en posters Van der Pekstraat
-Het ruilen van objecten is tegelijkertijd een uitwisseling van verhalen en beelden, die van vrijdag 17 september tot en met 29 oktober om de dag worden gepubliceerd op deze weblog. (De verhalen blijven daarna op de weblog staan. De posters blijven in de Van der Pekstraat hangen tot 7 november.)
-Posters van de objecten komen in dezelfde periode aan de bomen in de Van der Pekstraat te hangen – elke dag een nieuwe.

17 sept 2010 – Opening expositie portretten NH Hotel
We exposeren een selectie van de portretten van bewoners in de lobby van het NH Hotel aan het Mosplein.

29 okt 2010 – Buurtfeest deelnemers en andere bewoners
Deelnemers en andere buurtbewoners worden op vrijdag 29 oktober 2010 uitgenodigd op een feestelijke opening in (waarschijnlijk) Buurthuis ’t Crat. Hier wordt het laatste object als nieuw, openbaar, ‘ready made buurtkunstwerk’ onthuld door de laatste gever.